Colenberg Omgevingspsychologie

LinkedIn Twitter

Persoonlijke ruimte

Vandaag ben ik door RTL geïnterviewd over persoonlijke ruimte. Voor een kort nieuwsitem, over de vraag waarom het ongemakkelijk voelt om op straat in hetzelfde tempo te lopen als een vreemde. In deze blog ga ik verder in op dit onderwerp.

Strijd op de stoep

Aanleiding voor het nieuwsitem was een plaatje dat circuleert op sociale media, over het ‘jogmoment’ als je iemand inhaalt om niet steeds vlak achter die persoon te hoeven lopen. De kunstenaars Daniel Koren en Vania Heymann hebben vorig jaar een filmpje gemaakt over de vraag waarom het ongemakkelijk voelt om op straat naast een vreemde in hetzelfde tempo te lopen. Heeft het te maken met individualisme? Is het onbeleefd om naast iemand te lopen? Voelt het onveilig? Waarom hebben we de neiging om, zodra we merken dat we gelijk op lopen met iemand, in te houden of te versnellen? En is dat onbeleefd om te doen?

Om met die laatste vraag te beginnen: als je het subtiel doet, hoeft het niet onbeleefd over te komen. Je kunt bijvoorbeeld inhouden om (zogenaamd) op je telefoon te kijken, naar iemand te zwaaien of iets uit je tas te pakken. Of versnellen door te doen alsof je ineens ziet dat je bijna te laat komt. Sterker nog: de kans is groot dat je de ander daarmee juist een dienst bewijst. Want in het algemeen voelt iederéén zich ongemakkelijk als een onbekende te dichtbij komt. Het is eerder beleefd om je te verontschuldigen als je wel te dichtbij moet komen. Om te laten merken dat je het niet doet om de ander te irriteren of te bedreigen.

Cocon

live-in-bubble

Dit heeft te maken met het fenomeen ‘persoonlijke ruimte’ of personal space. Iedereen heeft (onbewust) behoefte aan een bepaalde ruimte om zich heen, om zich veilig te voelen. Een soort onzichtbare luchtbel of cocon, waarmee je als het ware je territorium overal mee naartoe neemt. Die cocon is groter naarmate je anderen minder goed kent, of de situatie formeler is.

Komen onbekenden of niet-intimi te dichtbij, dan voelt dat ongemakkelijk. Soms zelfs ronduit intimiderend. Dan zal je instinctief een stapje achteruit willen doen.

Het geeft in ieder geval stress, meetbaar via bijvoorbeeld bloeddruk, huidgeleiding en hormoonspiegel [1], en te zien aan lichaamstaal en gedrag. Mensen laten hun afkeer blijken en trekken zich letterlijk of figuurlijk terug. Sluiten zich af voor de anderen. Ook als ze die eigenlijk nodig hebben voor steun en verbondenheid, bijvoorbeeld om daarmee andere stressfactoren in de omgeving het hoofd te bieden. Mensen kunnen zich (tot op zekere hoogte) aanpassen aan hun omgeving, maar betalen daar wel een prijs voor. Ook kan het schenden van de persoonlijke ruimte leiden tot sneller escaleren van irritaties en verminderde prestaties [2].

Persoonlijk

Wat té dichtbij is, is persoonlijk en situatie-gebonden [3]. Het hangt bijvoorbeeld af van iemands ervaringen in het verleden, wat hij gewend is in die situatie, zijn culturele achtergrond, zijn toestand op dat moment, zijn positie ten opzichte van de ander en wie die ander is. Stress, angst of het gevoel kwetsbaar te zijn, maken de behoefte aan persoonlijke ruimte groter. Net als een groter verschil in status. Mensen uit Zuid-Europa of Amerika komen makkelijker dichterbij dan mensen uit Noord-Europa. Zonder oogcontact mag de afstand meestal kleiner zijn dan met oogcontact. Binnen hebben we meer ruimte nodig dan buiten. Bij vechtsporten accepteren we een kleinere interpersoonlijke afstand met onbekenden dan op de werkvloer. Een grensoverschrijding die langer duurt, zoals bij een gelijk looptempo, is vervelender dan een kort moment, zoals bij passeren. Hoe langer het duurt, hoe meer stress we ervaren.

Hall zonesDe antropoloog Edward Hall [3] schrijft in zijn boek The hidden dimension dat ruwweg de volgende afstanden zijn te onderscheiden, gebaseerd op zintuiglijke waarneming (wat zie, hoor, ruik en voel je van de ander):

< 0,5 m: geliefden, goede vrienden, naaste familie, kleine kinderen, iemand troosten;
0,5-1,2 m: overige vrienden en familie, naaste collega’s, een persoonlijk of informeel gesprek;
1,2 – 3 m: overige collega’s, kennissen, klanten, formelere gesprekken;
> 3m: toehoorders, onbekenden, publiek bij een lezing.

Het zijn sociale normen die we als kind aanleren door de mensen ons heen te imiteren [2]. Ook dieren kennen zulke omgangsvormen. Gebrek aan ervaring met een specifieke situatie, of beperkte sociale vaardigheden (bijvoorbeeld door autisme), maken het moeilijker om in te schatten wanneer je voor een ander over de schreef gaat. Ook kan het zijn dat jouw eigen persoonlijke ruimte (op dat moment) toevallig kleiner is dan die van de ander. Mensen zijn sowieso niet zo goed in het schatten van de afstand tot anderen: we denken vaak dat we zelf verder weg staan, en dat anderen dichterbij staan, dan in werkelijkheid het geval is. Het kan leiden tot herkenbare situaties, zoals de (overdreven) ‘close talker‘ in Seinfeld, en in filmpjes van experimenten op straat.

Inrichting

Hoe kun je in de inrichting van een ruimte rekening houden met de personal space van mensen? Zorg allereerst voor voldoende ruimte. Om elkaar op gepaste afstand te kunnen passeren en om niet te dicht op elkaar te hoeven zitten of staan. Zorg bijvoorbeeld voor meer zitplekken dan strikt noodzakelijk. (Als meer dan 60% van de plekken bezet is, ervaren mensen dat vaak als vol). Grotere tafels creëren meer afstand, mocht dat nodig zijn. Afscheidingen (schermen, planten, kasten) helpen ook daarbij. Verplaatsbaar meubilair helpt om de opstelling aan te passen aan persoonlijke voorkeuren of wisselende situaties.

Lage plafonds en minder licht zorgen voor een meer intieme sfeer, maar dat kan als het niet gepast of gewenst is, ook benauwend overkomen. Dat geldt ook voor hogere temperaturen [4]. Zorg voor een grotere, hogere ruimte en visuele ontsnappingsmogelijkheden (uitzicht, afleiding) in situaties waar het schenden van de persoonlijke ruimte moeilijk te vermijden is. Zoals bij in de lift of in een rij staan. Dat kan de stress van crowding verlichten.

Bronnen

  1. G.W. Evans (2004). Environmental stress. In: Handbook of Environmental Psychology. Wiley, New York.
  2. Evans & Wener (2007). Crowding and space invasion in the train: please don’t make me sit in the middle. Journal of Environmental Psychology 27.
  3. Dak Kopec (2012), Environmental psychology for design. Fairchild Books, New York.
  4. Edward T. Hall (1982). The hidden dimension. Anchor Books, New York.
  5. Sally Augustin (2009). Place Advantage. Wiley, New Jersey.

27 november 2015