Colenberg Omgevingspsychologie

LinkedIn Twitter

Ontwerpen voor de gebruiker

Onlangs heb ik in een gastcollege op de Academie voor Bouwkunst in Groningen verteld over ontwerpen voor de (oudere) gebruiker. Over waarom het belangrijk is om informatie over de gebruikers te verzamelen en hoe je dat doet. En wat voor ouderen extra belangrijk is. In deze blog een samenvatting van het hoe en waarom, een volgende keer meer over ouderen.

Waarom je verdiepen in de gebruikers?

Er komen helaas nog regelmatig gebouwen in het nieuws waarbij in het ontwerp te weinig rekening is gehouden met de bewoners, medewerkers of mensen in de omgeving. Dat leidt tot irritatie en ongelukken. Auto’s die smelten, mensen die omwaaien. Valpartijen en botsingen. Lesgeven op de gang. Ziekteverzuim en onvrede. Lekkages, leegstand, vandalisme en verval.

 

Villa Savoye - Le Corbusier

Villa Savoye van Le Corbusier en een bewerking van Xavier Delory

Het leidt tot hoge herstelkosten en lelijke noodoplossingen. Zwart-geelgestreept plakband op een mooie sculpturale trap. Slordig plakfolie op ijle glazen wanden. Waarschuwingsborden en afzettingen. En soms is het niet eens meer mogelijk om de tekortkomingen te verhelpen. Dan moet er verhuisd of gesloopt worden.

Die fouten zijn natuurlijk niet alléén de schuld van architecten. Opdrachtgevers moeten duidelijk aangeven wie de gebruikers zijn en wat er nodig is. En de bouwers moeten het goed uitvoeren.

Architecture of the absurdMaar je verwacht ook dat een architect naar de opdrachtgever luistert en rekening houdt met de mens in het gebouw. En samenwerkt met de bouwers. In mijn visie is architectuur geen autonome kunst. Niet het ontwerpen voor de designbladen, maar voor de eindgebruiker. Mooi én functioneel. Een leuk boek over hoe het mis kan gaan als architecten zich geniaal wanen is ‘Architecture of the absurd’ van John Silber. Disfunctionele architectuur vindt hij absurd. Het Park Güell, met de soms als ‘absurd’ bestempelde architectuur van Gaudi, noemt hij juist ‘delightfully functional’.

Een bijkomend voordeel van het betrekken van de gebruikers, is dat zij meer tevreden zullen zijn met het ontwerp. En beter voor hun omgeving zullen zorgen. Tenminste, als je laat merken dat je ze serieus neemt, en echt wat doet met hun behoeften. Als je dat goed aanpakt, leidt dat niet tot een ‘slap compromis’, maar juist tot verrassende oplossingen. En een beter gebouw.

Hoe weet je wat de gebruiker wil?

Vaak bedenken architecten (of hun opdrachtgevers) wat ze zelf in een bepaalde situatie zouden willen, en nemen dat als uitgangspunt voor het ontwerp. Een aardig begin, maar niet erg betrouwbaar. Iedereen heeft immers zijn eigen gekleurde bril. Zijn eigen herinneringen en ervaringen, persoonlijke voorkeuren en blinde vlekken.

Bovendien zijn niet alle behoeften bewust. Mensen weten vaak niet goed wat ze willen. Kunnen niet goed inschatten hoe ze zullen reageren. Ook lastig: een omgeving die goed is, valt niet op. Als een omgeving niet prettig is, merk je dat meestal wél meteen. Maar het is soms moeilijk de vinger te leggen op wat er precies mis is.

Ook de wet- en regelgeving biedt weinig houvast. Zelfs als je je precies aan alle regels van het Bouwbesluit en de Arbowet houdt, is dat geen garantie dat het gebouw goed zal functioneren. Daarvoor zijn de regels te beperkt en de doelgroepen te divers. En hangt het te veel af van de situatie, wat er nodig is. Er zijn maar weinig vuistregels te geven voor wat altijd goed is. En afgaan op aannames is riskant. Neem bijvoorbeeld ‘kantoortuinen‘: denk je dat die de samenwerking bevorderen, kan zomaar het tegengestelde het geval zijn.

Er is voor een gebruiksgericht ontwerp daarom altijd iets van onderzoek nodig. Het beste is om daarbij verschillende methodes te combineren.

  • Niet alleen de gebruikers vragen wat zij nodig hebben, maar ook hun gedrag observeren, analyseren van hun activiteiten en ruimtegebruik.
  • Betrouwbare informatie zoeken over hun wensen en capaciteiten, hun praktische en psychologische behoeften in een bepaalde situatie.
  • Nagaan wat bekend is over hoe mensen in het algemeen reageren op bepaalde gebouwkenmerken of ontwerpelementen (evidence-based design).
  • Zo mogelijk (onderdelen van) het ontwerp testen via mock-ups, proefopstellingen of virtual reality.
  • Leren van eerdere projecten (post-occupancy evaluation) of andermans ervaringen.

En tijdens het ontwerpproces steeds alert blijven op mogelijke effecten voor de eindgebruiker.

Dit soort onderzoek en meedenken is bij uitstek de expertise van omgevingspsychologen. Zij hebben kennis van menselijk gedrag en omgevingsinvloeden, en zijn getraind in het analyseren daarvan. Waar (interieur)architecten zijn getraind in het zoeken naar de beste oplossing voor het geheel, en oog hebben voor schoonheid en verhoudingen. Zodoende kunnen zij elkaar mooi versterken. Meer daarover is te lezen in het boek ‘Omgevingspsychologie en ontwerpen’.

15 september 2015